Anton Baegen 1950 – 2021

Geplaatst op Categorieën Geen categorie

‘Hij verloor wat van zijn streken, maar bleef tot op het eind gekleed als gangsterrapper’

Anton ging de kist in als gangsterrapper. Met rode leren jas, kettingen en Ray-Ban-zonnebril. ,,Ik heb alles gedaan wat God verboden heeft.”

‘HÉ KLOOTZAKKEN, IK WIL BEGRAVEN WORDEN. EN ME NIET VERBRANDEN HE! GELD GENOEG VOOR MIJN BEGRAVENIS. EN DOEN WAT IK ZEG. ANDERS NEEM IK MAATREGELEN IN DE HEMEL.’

De kinderen van Anton Baegen schrokken wel even van het nalatenschapsbriefje van hun ‘Ougie’, die kampte met gezondheidsproblemen maar toch vrij plotseling overleed. Maar dit hadden ze kunnen verwachten. Typisch Anton. Recht voor z’n raap en dwingend, met een fikse dosis humor. Tot na zijn dood bleef ‘De Baron’, zoals hij door zijn gezinsleden werd genoemd, een man van de straat.

De in Hoograven opgegroeide Anton (Toontje) deed wat hij wilde. Hij had het beste voor met zijn familie en gezin, maar had lak aan regels, autoriteiten en ‘veel te rijke’ mensen. Anton wordt omschreven als een Robin Hood, die stal van de rijken en gaf aan de armen. Met zijn vader ging Anton vroeger met compost langs nieuwbouwwijken. Dan verkochten ze vijf kuub, maar leverden er slechts één. Niemand die het doorhad. En als hij en zijn vader die compost dan hadden aangebracht, en buurtgenoten aanschouwden hoe mooi zo’n tuin er later uitzag, leverde dat nieuwe klanten op. ,,We houden van venten en van de centen”, zei Anton.

Hij was blij dat hij dat kon doen, want school werd niks. Na de samenwerking met zijn vader hield hij zijn eigen manier van venten erop na. Anton liet ‘dames van plezier’ werken en zou verder zijn geld vaak niet op rechtmatige wijze bemachtigen. De enige formele betrekking die hij had, was snackkraamhouder in Hoograven. Als hij dan zag dat een jochie wat rond de kraam struinde, maar blijkbaar geen geld had voor patat, gaf hij die zo weg. Geld oppotten was er niet bij. Hoe Anton dat verdiende, bleef schimmig. ,,Eertijds ga ik een klappertje maken.” Dat dit bij justitie niet onopgemerkt bleef, en hij werd bestraft, nam Anton op de koop toe.

De kleine gezette man met paardenstaart verwonderde zich over de naïviteit en laksheid van anderen. In restaurants sprak hij serveersters aan: ,,Ik krijg nog honderd euro aan wisselgeld van je collega, maar zij komt maar niet terug.” Men tuinde er dikwijls in. Als hij het gevoel had dat mensen op hem neer keken, deed hij er een schepje bovenop. Regelmatig reed hij naar de PC Hooftstraat in Amsterdam. Daar trok hij ineens aan de handrem, waarop een achterligger bovenop hem knalde. ,,Godgloeiende!”, stapte hij boos uit. ,,Dat wordt betalen! U kunt ook direct pinnen.” De slachtoffers wilden er meestal snel vanaf zijn.

Streken had hij continu. Met zijn gezin was hij een eindje rijden naar Zandvoort, toen Anton zag dat de slagbomen van het circuit openstonden. Hij scheurde er met drie kinderen op de achterbank een paar keer overheen, zwaaide wat naar gealarmeerd personeel en werd vervolgens staande gehouden. Hij moest betalen. ,,Ik betaal alleen als ik nog tien rondjes mag rijden!”. Toen die deal niet gesloten kon worden, maakte hij zich snel uit de voeten.

Anton leefde als een koning. Reed in exclusieve auto’s, overlaadde zijn kinderen met cadeaus en gaf wat extra’s aan minderbedeelden. Hij bestelde op latere leeftijd wel eens een taxi om kennissen en familie iets lekkers te bezorgen.

Van zijn kinderen eiste hij dat zij op het rechte pad zouden blijven. Zelf verloor hij wat van zijn streken, al bleef hij er met rode leren jas, kettingen en pet uitzien als een gangsterrapper. De buren zagen hem als een vriendelijke man. Anton genoot extra van zijn familie. Dat zijn oudste kleindochter Jazz goed kan leren, vond hij geweldig. De les die hij haar meegaf: ,,Heb schijt aan alles.”

Het laatste jaar had Anton nauwelijks contact met de buitenwereld. Doodsbang om corona te krijgen. Zijn kinderen deden zijn inkopen en moesten fonetisch opgeschreven boodschappen ontcijferen. Shampoo was Doespul en mayonaise menese. Daar moest je geen vragen over stellen. ,,Je bent toch niet achterlijk!”

Gelukkig lieten alle briefjes met zijn laatste wensen niets aan onduidelijkheid over. Zo krijgt de naam Jazz een plek op zijn grafsteen. Zijn kinderen deden braaf wat ‘Ougie’ had opgedragen. Wie weet wat er anders allemaal uit de hemel zou komen…

Bron: Column Tim de Hullu (AD/UN) “van Wieg tot Graf”

Dit artikel is met toestemming van de nabestaanden geplaatst.